Een bijzondere belevenis op de Zuiderzee.
Zo gaat op zaterdag de dertiende januari van het jaar 1849 de visser Jacob Bording, toen 45 jaar oud, met zijn beide zonen (Klaas van 19 en Jacob van 17) ook het ijs op om te gaan botkloppen. Zij hebben die morgen nog vis verkocht in Amsterdam en zijn dus vrij laat op de dag de Zuiderzee opgegaan. De plekken die het dichtst bij de kust liggen zijn al door andere vissers ingenomen, waardoor zij gedwongen zijn verder het ijs op te gaan. Maar na enige tijd besluiten ze een poging tot visvangst te wagen.

Er is snel een bijt gehakt, de netten worden gespannen en even later klinkt het dreunen van de klopbalk tot in de verre omtrek. Als ze enige tijd later het net ophalen, blijken ze een goede vangst gedaan te hebben. Daarom besluiten ze nogmaals een eind verderop de netten uit te zetten. Het wordt al later op de dag en de schemering begint al in te vallen. Het weer is slecht geworden. Na weken van strenge vorst is de dooi ingevallen en harde wind en regenstriemen teisteren de drie vissers. Maar de goede vangst verzoet veel. Na korte tijd hebben ze al 750 vissen gevangen. Dat brengt hen ertoe het nog eens te proberen. Hoewel het eigenlijk al te donker wordt en de overige vissers al lang huiswaarts gekeerd zijn. Maar als ze dan weer een grote bijt en vier kleinere bijten gehakt hebben en met een lange stok de netten vast in de grond willen zetten, bemerken ze tot hun schrik, dat de stok over de bodem sleept. Dat kan maar één ding betekenen: het ijs is gaan drijven. Ze laden snel hun spullen op de slee en haasten zich naar de vaste wal, naar huis, maar wat ze al vreesden. blijkt waarheid te zijn: de grote ijsvlakte van de Zuiderzee is door de dooi en de wind losgeraakt van de oever en er gaapt een brede kloof van water tussen de drie vissers en de vaste wal. Het is onmogelijk om hier nog van het ijs af te komen. Misschien lukt het ergens anders nog. Ze keren de slee en haasten zich door de donkere nacht naar het zuiden. Maar bij Naarden, bij Huizen, overal grijnst het donkere water hen toe. De uitgestrekte ijsvloer is inmiddels ook begonnen te scheuren en overal ontstaan enorme ijsschotsen. Het is onmogelijk nog ergens de vaste oever te bereiken.
En dan begint voor de drie vissers een zwerftocht over de Zuiderzee, die veertien volle dagen zal duren. Onvoorstelbare ontbeingen hebben de drie mannen op de ijsschots geleden. Dan weer ijskoude regens, dan weer dichte mist, soms afgewisseld met een dag met heldere zonneschijn. Wisselende winden drijven de schotsen dan weer naar het noorden, dan naar het oosten of zuiden en soms in de richting van de Waddenzee en de Noordzee. De schotsen glijden over elkaar, tegen elkaar aan en breken af. De Bordings zijn gedwongen een paar maal op een grotere schots over te stappen. Het water, dat over de schots heen golft, doet hen verstijven van de kou, hun voeten zijn opgezet door het water, ze kunnen de klompen niet meer uitkrijgen. Honger en dorst doen een aanslag op hun uithoudingsvermogen. Ze vangen regenwater op in een stukje zeildoek, ze eten rauwe botten. Om hun slee lichter te maken, hebben ze bijna de gehele vangst en een aantal gereedschappen, zoals botbalk en bijl, al in het water laten glijden. Op zeker moment wil ook vader Bording een eind aan de beproeving maken door zich van de schots te laten glijden. Met de grootste moeite kunnen de zoons hem van dit plan weerhouden. Soms schijnt de redding nabij. Een week na het begin van de dwaaltocht, op een zondagmorgen, drijven ze zo dicht langs de kust van Enkhuizen, dat ze op de torenklok de tijd kunnen aflezen en honden horen blaffen en de kerkgangers langs de kade op weg naar de kerk kunnen zien gaan. Hun wanhopig geroep wordt echter niet gehoord en even later doet een lichte draaiing van de wind hun ijsschots weer wegdrijven van Enkhuizen. Enkele dagen later, in de buurt van Schokland, zien ze in de verte een tjalk voorploeteren tussen de schotsen. Ze drijven er op af en schreeuwen uit alle macht, maar tevergeefs. Schipper Otten uit Zwartsluis merkt hen niet op en de tjalk verdwijnt in de verte.
Inmiddels was er in Durgerdam meteen een zoekactie naar de vermiste vissers op touw gezet. Visser Pauw had een aantal dorpsgenoten bereid gevonden met hem uit te varen om te gaan zoeken. Maar al na korte tijd moesten ze terugkeren. De dichte mist en de zware ijsgang verhinderden de poging de verdwenen Bordings te vinden. Het verhaal van de vermiste vissers was ondertussen via de kranten door het hele land bekend geworden. Dat leverde soms ontroerende reacties op. Zo ontving vrouw Bording een brief uit Amsterdam van twee kinderen, die hun spaarpot geleegd hadden en de inhoud, verdubbeld door hun vader en groot tien gulden, in de brief bijgesloten hadden. Alom had men deernis met de arme vrouw, die men inmiddels al weduwe waande. Immers, wie zou de barre tocht op een ijsschots kunnen overleven?
Vollenhove

In Vollenhove zag men ondertussen met verlangen uit naar het einde van de winter. De visserij lag stil en er heerste bittere armoede in het stadje. Elke dag trokken de vissers wel even naar de zeekant om te zien of het al mogelijk was uit te varen. Op zekere dag zagen enkele vissers, die naar huis terugkeerden, op het Kerkplein een groep meeuwen opvliegen. Een van de vogels liet uit zijn snavel een haring vallen. Dat betekende, dat er ergens op de Zuiderzee al voldoende open water was, waardoor de meeuwen een haring konden vangen. Twee vissers, Klaas Edelenbosch en Gerrit Visscher, besluiten de volgende dag een poging te wagen ergens open water te vinden om hun netten uit te zetten. Op zaterdagmorgen 27 januari varen twee scheepjes uit de haven, bemand door respectievelijk Klaas Edelenbosch en zijn knecht Steven Croes, en Gerrit Visscher met zijn knecht Frederik Croes. Ze vinden in de buurt van Blokzijl inderdaad enig open water, maar als ze hun netten weer binnen boord halen blijkt de vangst slecht te zijn. Onderweg naar het open water hadden ze in de verte in het samengepakte ijs enige zwarte stippen ontwaard, maar ze meenden, dat het grondijs was, kluiten aarde vastgevroren aan de ijsvloer.
Maar als ze op de terugtocht wat dichter langs de ijswal varen, horen ze hulpgeroep. Dat moeten de Durgerdammer vissers zijn, van wier droevig lot men ook in Vollenhove al gehoord had. Ze wenden onmiddellijk de steven en naderen het hulpgeroep. En inderdaad, drie mannen op een slee, die uit alle macht de aandacht proberen te trekken. Aan de mast op de slee is een rode zakdoek gebonden en de koffieketel hangt in de top. Edelenbos en Visser proberen de ongelukkigen te bereiken, maar hun scheepjes zijn te klein om door de ijsmassa heen te komen Er moet andere hulp komen. Eén van de punters vaart terug naar Vollenhove om een zwaardere boot te halen. Even later vaart de ijsvlet, een sterke roeiboot, bemand door Jan Driezen, Gerrit Zoetebier, Hendrik Edelenbos en Piet Tabois (afkomstig uit Durgerdam) uit de haven, gevolgd door de tjalk van schipper Arend Jongman – deze met 30 Vollenhovenaren aan boord, met ladders, touwwerk en levensmiddelen. Het kost de grootste moeite door de samengeklonterde ijsschotsen te komen. Buitenboord hangend moeten de mannen met de voeten de ijsschotsen kapot trappen en wegduwen. Maar eindelijk lukt het toch de ijsschots met de drie mannen te bereiken. De uitgeputte Durgerdammers worden voorzichtig van de slee overgebracht naar de roeiboot. Het is net op tijd, want meteen daarop verdwijnt de schots met de slee daarop onder water. De moeizame terugtocht naar Vollenhove wordt aanvaard. Daar is inmiddels alles in gereedheid gebracht voor ontvangst. In het logement van stadsbode en kastelein Willem Souer (nu restaurant Seidel) is een kamer gereed gemaakt, de arts, dokter Ekker, is gewaarschuwd, evenals de beide predikanten ds. Uden Masman en ds. Dibbets. Onder luid gejuich worden de geredde mannen naar binnen gedragen, ds. Dibbets spreekt een dankgebed uit en ds. Uden Masman zal via een brief de familie in Durgerdam verwittigen van de goede afloop. Dokter Ekker is echter na een eerste onderzoek somber gestemd over de over de overlevingskansen. De drie mannen hebben te veel geleden.
Een samenvatting van hun avontuur staat beschreven op de site van Stad Vollenhove de plaats waar ze na hun redding zijn verzorgd.
Ga voor de volledige tekst naar http://www.stadvollenhove.nl/index.php/gebeurtenissen/31-de-durgerdammer-vissers-1849
- Ansichtkaarten thema Durgerdam
- Contactpagina
- Durgerdam in beeld.
- Durgerdam in de tweede wereldoorlog
- Natuur in en om Durgerdam
- Over de maker
- Historische feiten
- Van zelfstandige gemeente naar een wijk van Amsterdam Noord
- Kapel
- De kerk in Durgerdam
- Rondje Landelijk Noord
- Handige links
- Verantwoording bronnen
- Herinneringen aan 600 jaar Durgerdam
